ex horto conclvso

Aantekeningen bij de nakomelingen van Pieter Lambrecht uit Pittem, ca. 1570

Het onderzoek naar de nakomelingen van Pieter Lambrecht legt een interessante familiegeschiedenis bloot die zich uitstrekt over de afgelopen 450 jaar in het zuiden van West-Vlaanderen. De vroegste documentaire bronnen dateren uit de late 16de eeuw, een periode waarin de familie zich in de landelijke omgeving van Pittem bevond. Wat meteen opvalt, is de grote mobiliteit van de eerste generaties. In de eeuw na de stamvader zien we een ‘micro-diaspora’ binnen de familie Lambrecht.

Terwijl een deel van de stam in Pittem bleef, waaierden andere takken uit naar nabijgelegen dorpen zoals Aarsele, Marialoop, Markegem en Sint-Baafs-Vijve. Opmerkelijk is de vroege expansie naar de streek tussen Kruishoutem en Oudenaarde, en in het begin van de 17de eeuw zelfs tot in het Frans-Vlaamse Oxelaëre, aan de voet van de Casselberg. In de 18de eeuw zien we een consolidatie in Lendelede en, enkele generaties later, een terugkeer naar het oorsprongsgebied rond Marialoop.

Een lappendeken van macht

Het Pittem van de late 16de eeuw verschilde fundamenteel van de huidige gemeente. Administratief behoorde Pittem tot de Kasselrij Kortrijk, en specifiek tot de Roede van Tielt. De moderne bestuursstructuur bestond niet, het leven werd bepaald door de heerlijkheid.

Een heerlijkheid was een grondgebied waarover een heer, in naam van de vorst, overheidsrechten uitoefende. Vaak was de situatie complex, zo ook in Pittem: het grondgebied was een mozaïek van verschillende heerlijkheden die door elkaar liepen. Hoewel de familie Claerhout de heerlijkheid Pittem (de dorpsheerlijkheid) bezat, was er ook de uitgestrekte heerlijkheid Claerhout. Deze laatste was feodaal gezien groter en omvatte versnipperde percelen in Pittem, Tielt, Meulebeke en Egem.

De heer van Claerhout haalde zijn macht uit een divers pakket aan rechten. Hij hief cijns en rente op zijn pachtgronden en bezat de lucratieve rechten op ‘den wynt ende stroom van watere’. Dit betekende dat niemand een wind- of watermolen mocht bouwen zonder zijn toestemming. Daarnaast had hij recht op het ‘beste catheyl’ (het beste stuk uit de erfenis van een pachter) en het droit d’aubaine (erfrecht op vreemdelingen). De heerlijkheid beschikte over een eigen baljuw en een schepenbank van zeven schepenen om recht te spreken volgens de gewoonten van de Kasselrij Kortrijk.

Het feodale systeem was een piramide. De heer van Claerhout was zelf leenman van een hogere vorst. Zo verklaarde Thomas de Thiennes in 1615 dat hij zijn leen, ‘het hof en de heerlijkheid van Claerhout’, hield van de Aartshertogen Albrecht en Isabella, ‘haerlieden Aertshertogen van Oostenryck, grave van Vlaenderen, enz. ende dat van huerlieden hoven van Thielt… den hove van Coekelaere’1. Het feit dat Thomas de Thiennes hier als heer verschijnt (en niet de familie van Claerhout, die op dat moment de dorpsheerlijkheid Pittem in handen had via Anna van Claerhout), illustreert hoe ingewikkeld de eigendomsstructuren waren. Voor onze voorouders betekende dit dat ze hun loyaliteit en pachtgelden verschuldigd waren aan heren die vaak in verre steden zoals Brugge resideerden, ver weg van het oorlogsgewoel op het platteland.

Wind en pachtcontracten

De familie Lambrecht was een molenaarsgeslacht. In de vroegmoderne tijd was de molenaar een spilfiguur: hij zette het graan om in meel en de zaden in olie, essentieel voor voeding en verlichting. Het was een ambacht dat technische kennis en inzicht in weer en wind vereiste, vaardigheden die vaak van vader op zoon werden doorgegeven.

Binnen de parochiegrenzen van Pittem was Claerhout de meest prominente heerlijkheid. Deze heerlijkheid beschikte over het banrecht op de molen: de heren van Claerhout verplichtten hun onderzaten om graan te laten malen op de heerlijke molen, de Claerhoutmolen. Het feit dat Pieter Lambrechts kleinzoon in de 17de eeuw als molenaar op deze specifieke molen wordt vermeld 2, plaatst de familie in een directe feodale relatie tot de heren van Claerhout. Geen eenvoudige dagloners, maar pachters met kapitaal en een vertrouwenspositie.

Het erfrecht dwong jongere zonen om uit te wijken wanneer de oudste de molen overnam. Pachtcontracten waren bovendien tijdelijk en bij het overlijden van de pachter moest de familie vaak plaatsmaken. Dit mechanisme zorgde voor een structurele onzekerheid binnen het ambacht en stimuleerde de noodzaak om elders nieuwe contracten te zoeken.

Oorlog, wederopbouw en migratie

Deze bewegingsdrang was geen toeval. Ze kan deels verklaard worden door de specifieke gevolgen van beroepskeuzes, maar moet ook gezien worden tegen de achtergrond van een tumultueus tijdsgewricht. Stamvader Pieter Lambrecht moet geboren zijn in de periode 1570–1580, een tijdvak dat samenvalt met erg donkere bladzijden uit de lokale geschiedenis. Waar de eerste helft van de 16de eeuw in West-Vlaanderen nog gekenmerkt werd door de nagalm van de Bourgondische welvaart en een relatieve stabiliteit onder Keizer Karel V, markeerde de tweede helft een volstrekte afdaling in chaos, religieuze polarisatie en fysieke verwoesting.

De Tachtigjarige Oorlog transformeerde de vruchtbare Roede van Tielt in een desolaat landschap van woeste gronden. Pittem was veeleer frontzone dan een vredig dorp. Niet alleen de kerken van Pittem en Egem gingen in vlammen op, ook de economische infrastructuur werd vernietigd. Rond 1580 bereikten de godsdienstoorlogen een absoluut dieptepunt en werden onder meer de molens platgebrand. Tussen circa 1580 en 1594 was er in Pittem geen functionerende molen.

Dit creëert een belangrijk historisch kader voor stamvader Pieter Lambrecht. Was hij een kind van de streek dat met zijn ouders moest vluchten voor het geweld? Of was hij een nieuwkomer die pas na 1600, tijdens de wederopbouw onder het Twaalfjarig Bestand (1609–1621), naar Pittem trok omdat er weer werk was? Het feit dat de molens pas eind 16de eeuw werden herbouwd (de Claerhoutmolen in 1594), suggereert dat de vestiging van een molenaarsfamilie in Pittem gelijkloopt met de economische renaissance van de streek.

De theorie dat de familie zich vestigde tijdens de wederopbouw, wordt bevestigd door de archieven uit de 17de eeuw. Waar de grootvader, Pieter Lambrecht sr., nog een enigszins ongrijpbare figuur blijft in de schaarse bronnen van de vroege 17de eeuw, treedt zijn kleinzoon, Pieter Lambrecht (junior), de zoon van Andries Lambrecht, uit de schaduw als een gevestigd man.

Tussen 1664 en 1670 vinden we kleinzoon Pieter officieel geregistreerd als molenaar op de Claerhoutmolen. Dit is geen geringe positie. De Claerhoutmolen was een staakmolen en een banmolen, wat betekende dat de boeren uit de omgeving verplicht waren hun graan hier te laten malen. Pieter Lambrecht was dus een spilfiguur in de lokale voedselvoorziening en economie. Hij moet hebben beschikt over kapitaal, technische kennis en het vertrouwen van de Heer van Claerhout.

Het molenaarsleven bleef echter onzeker. Na 1670, na het mandaat van Pieter Lambrecht, neemt de familie Heytens de molen over. De weduwe van Pieter verdwijnt echter niet in de anonimiteit; zij duikt op als bewoonster van de Boonhogemolen in Pittem (1670–1672). Dit bewijst de weerbaarheid en de diepe wortels van de familie in het ambacht: als de ene wiek stilviel, zocht men een andere die draaide.

Het is dit mechanisme van zoeken naar wind en pachtcontracten dat de drijvende kracht werd achter de migratie van de familie Lambrecht in de daaropvolgende generaties.


  1. De Potter, Frans (1865) Onterfenissen, denombrementen en verhefakten van heerlijkheden en leenen. Oud en Nieuw (p.177). Gent ↩︎

  2. Denewet, Lieven et al. (2016) Claerhoutmolen. Belgisch Molenbestand. https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=2935 ↩︎


Rubriek:
Genealogie Lambrecht

Concordantie:
Andries Lambrecht (~1600)