Weeskamer
In de het Ancien Régime werd een kind jonger dan 25 jaar juridisch gezien een ‘wees’ zodra één van de ouders overleed.
- Stierf de vader? Dan waren de kinderen vaderlijke wezen.
- Stierf de moeder? Dan waren het moederlijke wezen.
- Stierven beiden? Dan waren het volle wezen.
Waarom was dit nodig? De reden is puur financieel en ter bescherming van de kinderen. Zodra een ouder stierf, stopte de gemeenschap van goederen. De kinderen hadden recht op het erfdeel van de overleden ouder.
Om te voorkomen dat de overblijvende ouder hertrouwde en het geld van de kinderen ‘verbraste’ of dat het vermogen verwaterde in een nieuw huwelijk, greep de lokale overheid (de Schepenbank of Weeskamer) in.
Er worden voogden aangesteld, meestal een oom van vaderskant en een oom van moederskant, om de belangen van de kinderen te verdedigen. En een staat van goed, of boedelinventaris, wordt gemaakt om vast te leggen wat er precies is, zodat het erfdeel van de kinderen ‘bevroren’ of veiliggesteld wordt. Eventuele weduwen (houderigge) of weduwnaren (houder) worden benoemd.