ex horto conclvso

Over

Megillat ha-Mesillot ve-ha Mekorot (Smyrna, 1706)

Op een houtsnede uit de intussen onvindbare Megillat ha-Mesillōt ve-ha-Mekorōt (Smyrna, 1706), waarvan ik kort na de eeuwwisseling in één van de nissen van de nu verdwenen Galerie Bortier zonder aanleiding een goedkope kopie op de kop tikte, lichtgrijs van het stof en het papier poreus, verschijnt een hof die in de kantlijn wordt gemarkeerd als ginnata ne’ilta. De hof is ontsloten via een korrelige omweg, een labyrint van gestapelde membranen die een broos binnenste beschermen.

Wie wil aankomen, wordt eeuwig vertraagd. Wie eenmaal binnen de mitochondriale muren is getreden, vindt verpozing in de vaststelling dat niemand er ooit is geweest en de tijd er ongestoord is blijven liggen. De dagen laten zich doden met het wieden van onkruid rond de leemstenen waterput, of het benoemen van Mesopotamische fruitbomen die men enkel ginds aantreft, namen die hun weg nooit naar buiten kunnen vinden.

Er lijken mij slechtere plekken om al eens wakker te worden. Ik leg hier mijn herbarium aan, fragmentarium misschien, alles behoeft een naam, dat gaat niet enkel de bomen aan.